Onderwijs
Na de onafhankelijkheid investeerde de Zambiaanse regering grote bedragen in het opzetten van scholen, opleidingen en een universiteit (University of Zambia), die in 1966 open ging. Deze universiteit had halverwege de jaren negentig ca. 10.000 studenten. De Copperbelt University is in de stad Kitwe gevestigd. Verder zijn er nog diverse hogere opleidingen en een aantal privé-scholen. Tot de laatste categorie behoren o.a. de Banani International Secondary School for Girls, Simba International School, Sakeji School, Makeni Ecumenical Centre en de Evelyn Hone College of Arts and Commerce.
Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw volgden ca. één miljoen kinderen gratis basisonderwijs en ca. 80.000 kinderen gratis voortgezet onderwijs. Zambiaanse kinderen beginnen hun schoolcarrière vaak pas als ze negen jaar oud zijn. In de Southern province worden de kinderen de eerste twee jaar onderwezen in het Tonga, daarna gaat het onderwijs verder in het Engels. Na groep zeven worden er nationale examens afgenomen; worden deze met goed gevolg afgesloten dan kan men verder leren in een plaatselijke school. De knapste leerlingen gaan naar een school voor voortgezet onderwijs, vaak in een grote stad. Ze moeten dan echter wel geld meenemen want dit onderwijs is duur, soms meer dan een jaarinkomen. Het zal duidelijk zijn dat voortgezet onderwijs maar voor een enkeling is weggelegd. Noch de scholen, noch de regering springen de ouders bij in de kosten. In 2001 werd er een wet aangenomen die ervoor zorgde dat de examengelden werden afgeschaft. De scholen waren echter niet voor een gat te vangen en verhoogden de ouderbijdrage zodanig, dat het voor veel kinderen onmogelijk bleef om voortgezet onderwijs te volgen. Na de oliecrisis en het instorten van de koperprijs in 1973/1974 werd gratis onderwijs onbetaalbaar. Het gevolg was dat het gehele schoolsysteem wegens geldgebrek opgeblazen werd, nog versterkt door mismanagement van de regering. Ondanks inspanningen van de regering om het onderwijs weer op poten te zetten, gaat nog maar de helft van alle kinderen naar de basisschool. Velen maken de basisschool niet eens af en maar een kwart van basisschoolleerlingen gaat naar het middelbaar onderwijs. Cijfers uit 2000 tonen aan dat een derde van de kinderen geen enkele vorm van onderwijs geniet. Een groot probleem zijn de overvolle klassen met vaak meer dan 100 kinderen in een klas. Verder worden onderwijzers zwaar onderbetaald wardoor de motivatie bij deze beroepsgroep danig slinkt.
Gezondheidszorg Ten tijde van de onafhankelijkheid in 1964 was het met de
gezondheidszorg slecht gesteld in Zambia. Met name in de ‘compounds’ bij de
grote steden en op het platteland was het droevig gesteld. De minimale voorzieningen
konden ziektes als malaria, slaapziekte en tuberculose niet voorkomen. Het
waren eigenlijk alleen de missieposten waar de mensen enige (medische) zorg
kregen. Na de onafhankelijkheid werd er veel geld gestoken in het opzetten van
plattelandsklinieken, districthospitaals en stadsziekenhuizen. Ook werden er
verpleegstersopleidingen gestart. Begin jaren zeventig was de situatie al
aanzienlijk verbeterd, zelfs op het platteland. Ook vonden er grootscheepse
inentingscampagnes plaats en de meeste voorzieningen waren gratis. Na de
oliecrisis en de instorting van de koperprijs in de jaren 1973/1974 werd de
gezondheidszorg onbetaalbaar voor de Zambiaanse overheid. Alles wat in tien
jaar tijd was opgebouwd, was in een klap verdwenen. Klinieken konden de eenvoudigste
zorg niet meer aanbieden en veel artsen verdwenen naar het buitenland. Pas
onder president Chiluba werd er een hervormingsplan opgesteld. De op zich goede
plannen zijn vooral gericht op de basisgezondheidszorg, maar de uitvoering is
nog zeer wisselend. In het algemeen kan men zeggen dat het met de gezondheid
van de bevolking steeds slechter gesteld is. De gemiddelde levensverwachting is
verder gedaald, de kindersterfte stijgt steeds verder en ook het aantal
ondervoede kinderen neemt schrikbarend toe. Het enige positieve feit is dat de
achteruitgang minder snel gaat dan een aantal jaren terug. Een van de grootste
problemen van het laatste decennium is aids. Honderdduizenden mensen zijn
HIV-positief en tienduizenden Zambianen zijn al aan aids gestorven. Zo’n 60%
van de ziekenhuispatiënten lijdt aan HIV/AIDS gerelateerde aandoeningen. De
verwachting is dat de situatie nog erger zal gaan worden. Zo schat men dat er
in 2015 bijna één miljoen weeskinderen zullen zijn, en dat 20% van de bevolking
tussen 15-45 jaar HIV-geïnfecteerd zal zijn.
Bron: www.landenweb.net/zambia , op deze site kunt u ook kijken voor meer informatie over Zambia zelf.
Na de onafhankelijkheid investeerde de Zambiaanse regering grote bedragen in het opzetten van scholen, opleidingen en een universiteit (University of Zambia), die in 1966 open ging. Deze universiteit had halverwege de jaren negentig ca. 10.000 studenten. De Copperbelt University is in de stad Kitwe gevestigd. Verder zijn er nog diverse hogere opleidingen en een aantal privé-scholen. Tot de laatste categorie behoren o.a. de Banani International Secondary School for Girls, Simba International School, Sakeji School, Makeni Ecumenical Centre en de Evelyn Hone College of Arts and Commerce.Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw volgden ca. één miljoen kinderen gratis basisonderwijs en ca. 80.000 kinderen gratis voortgezet onderwijs. Zambiaanse kinderen beginnen hun schoolcarrière vaak pas als ze negen jaar oud zijn. In de Southern province worden de kinderen de eerste twee jaar onderwezen in het Tonga, daarna gaat het onderwijs verder in het Engels. Na groep zeven worden er nationale examens afgenomen; worden deze met goed gevolg afgesloten dan kan men verder leren in een plaatselijke school. De knapste leerlingen gaan naar een school voor voortgezet onderwijs, vaak in een grote stad. Ze moeten dan echter wel geld meenemen want dit onderwijs is duur, soms meer dan een jaarinkomen. Het zal duidelijk zijn dat voortgezet onderwijs maar voor een enkeling is weggelegd. Noch de scholen, noch de regering springen de ouders bij in de kosten. In 2001 werd er een wet aangenomen die ervoor zorgde dat de examengelden werden afgeschaft. De scholen waren echter niet voor een gat te vangen en verhoogden de ouderbijdrage zodanig, dat het voor veel kinderen onmogelijk bleef om voortgezet onderwijs te volgen. Na de oliecrisis en het instorten van de koperprijs in 1973/1974 werd gratis onderwijs onbetaalbaar. Het gevolg was dat het gehele schoolsysteem wegens geldgebrek opgeblazen werd, nog versterkt door mismanagement van de regering. Ondanks inspanningen van de regering om het onderwijs weer op poten te zetten, gaat nog maar de helft van alle kinderen naar de basisschool. Velen maken de basisschool niet eens af en maar een kwart van basisschoolleerlingen gaat naar het middelbaar onderwijs. Cijfers uit 2000 tonen aan dat een derde van de kinderen geen enkele vorm van onderwijs geniet. Een groot probleem zijn de overvolle klassen met vaak meer dan 100 kinderen in een klas. Verder worden onderwijzers zwaar onderbetaald wardoor de motivatie bij deze beroepsgroep danig slinkt.
Gezondheidszorg Ten tijde van de onafhankelijkheid in 1964 was het met de
gezondheidszorg slecht gesteld in Zambia. Met name in de ‘compounds’ bij de
grote steden en op het platteland was het droevig gesteld. De minimale voorzieningen
konden ziektes als malaria, slaapziekte en tuberculose niet voorkomen. Het
waren eigenlijk alleen de missieposten waar de mensen enige (medische) zorg
kregen. Na de onafhankelijkheid werd er veel geld gestoken in het opzetten van
plattelandsklinieken, districthospitaals en stadsziekenhuizen. Ook werden er
verpleegstersopleidingen gestart. Begin jaren zeventig was de situatie al
aanzienlijk verbeterd, zelfs op het platteland. Ook vonden er grootscheepse
inentingscampagnes plaats en de meeste voorzieningen waren gratis. Na de
oliecrisis en de instorting van de koperprijs in de jaren 1973/1974 werd de
gezondheidszorg onbetaalbaar voor de Zambiaanse overheid. Alles wat in tien
jaar tijd was opgebouwd, was in een klap verdwenen. Klinieken konden de eenvoudigste
zorg niet meer aanbieden en veel artsen verdwenen naar het buitenland. Pas
onder president Chiluba werd er een hervormingsplan opgesteld. De op zich goede
plannen zijn vooral gericht op de basisgezondheidszorg, maar de uitvoering is
nog zeer wisselend. In het algemeen kan men zeggen dat het met de gezondheid
van de bevolking steeds slechter gesteld is. De gemiddelde levensverwachting is
verder gedaald, de kindersterfte stijgt steeds verder en ook het aantal
ondervoede kinderen neemt schrikbarend toe. Het enige positieve feit is dat de
achteruitgang minder snel gaat dan een aantal jaren terug. Een van de grootste
problemen van het laatste decennium is aids. Honderdduizenden mensen zijn
HIV-positief en tienduizenden Zambianen zijn al aan aids gestorven. Zo’n 60%
van de ziekenhuispatiënten lijdt aan HIV/AIDS gerelateerde aandoeningen. De
verwachting is dat de situatie nog erger zal gaan worden. Zo schat men dat er
in 2015 bijna één miljoen weeskinderen zullen zijn, en dat 20% van de bevolking
tussen 15-45 jaar HIV-geïnfecteerd zal zijn.
